Columns, Dagelijkse dingen

Bijzonder transport

Laatst zag ik een – heel oude – aflevering van Blik op de weg. Het ging om een gevalletje ‘bijzonder transport’. Nu was het onderwerp van dat transport eigenlijk niet zo bijzonder: een paar houten balken. De manier waarop het gebeurde, was een heel andere zaak. De balken staken uit het rechterraam van een personenauto die op de meest linkerbaan aan het inhalen was. Veel ruimte was er niet. Het ging maar net goed.

Het deed me denken aan mijn eigen ‘bijzonder transport’ van een paar weken geleden. Niet met de auto, maar op de fiets. Het onderwerp? Een stukje tapijt van 180×150 centimeter. Opgerold, dat wel. Maar het steekt uit. Gelukkig heb ik zo’n transportfiets met mand. Dus hup, dat stuk tapijt erop en gaan. Dacht ik.

Lazaruspoortje in Gouda

Het eerste obstakel was het Lazaruspoortje in Gouda. Foto door Gouwenaar, via Wikimedia Commons

Mijn route ging via het oude centrum: smalle straten, hoogteverschil, poortjes en vooral héél veel mensen. Het eerste obstakel was zo’n poortje. Recht door het midden ging niet. Ik was te breed. Of het poortje was te smal. Behalve dit obstakel werd ik ook nog eens vrolijk toegelachen door collega’s die mijn ‘combinatie’ zagen vertrekken.

Eigenlijk had ik al besloten om te gaan lopen. En dat was maar goed ook. Naast het simpele feit dat ik gewoon bang was om te vallen, waren de meeste obstakels die ik tegenkwam net zo moeilijk te omzeilen als ikzelf. Stel je even voor: ik loop slalommend met mijn fiets en een breed stuk tapijt door een winkelstraat waarbij ik probeer niemand te raken. (Die missie is trouwens geslaagd.) Ik loop zoveel mogelijk aan de zijkant, laat andere mensen voorgaan en wacht als ik zie dat ik er niet langs kan. (Ja, je zou bijna zeggen dat ik een voorbeeldig weggebruiker ben.) Maar in die winkelstraat alleen al kwam ik mensen tegen die stug rechtdoor bleven lopen. Recht op me af. Bij de eerste dacht ik nog: ach, wat geeft het. Bij de tweede voelde ik ergens een soort kriebel, bij de derde had ik zin om iets te zeggen en bij de vierde wilde ik schreeuwen: “Hee, ik ben er ook nog! Je ziet toch dat ik iets vervoer. Ik kan niet zo makkelijk opzij gaan!”

Conclusie: ik was onzichtbaar.

Het leek wel een vorm van onverschilligheid: sommige mensen hadden echt geen oog meer voor de rest van de omgeving. Ook had het iets weg van die ‘aanrijdingen’ in de supermarkt – je kent het vast wel: sta je net in gedachten verzonken voor een schap, word je vol geraakt door het boodschappenkarretje van een ik-heb-het-heel-erg-druk-want-mijn-kinderen-moeten-nog-opgehaald-worden-van-het-kinderdagverblijf-moeder/vader.*

Uiteindelijk heb ik het laatste stuk wel gefietst, zonder problemen. Het kan dus wel. Maar voor herhaling vatbaar is het zeker niet. Blik op de weg zou er een leuk onderwerp bij hebben gehad.

Tekening fiets

© bcw 2013


*Om boze reacties van vaders en moeders te voorkomen: je kunt hier natuurlijk ook iets anders lezen. Bijvoorbeeld een niet-meer-zo-standvastige-opa/oma of een ik-heb-het-zo-druk-met-overwerken-manager. Of de ik-ben-jong-en-ik-hou-van-rellen-jongere. Of…vul maar in.