Verhalen

De ontmoeting

De auto lag op z’n kop in het water. De koplampen verlichtten nog net de waterkant.
‘Hoe lang ligt-ie er al?’ Hij keek de vrouw naast hem aan.
Ze haalde haar schouders op: ‘Geen idee.’
‘Is 112 al gebeld dan?’
‘Denk het wel.’
De man fronste zijn wenkbrauwen: ‘Hoezo, denk je het wel? Heb je niet gebeld dan?’
‘Nee, maar die mensen aan de overkant vast wel. Ze stonden in ieder geval druk te bellen.’

De man begon aanstalten te maken om het water in te gaan.
‘Kom op, misschien zit er nog iemand in.’
‘Nee’, zei ze resoluut, ‘er zit niemand meer in.’
‘Hoe weet je dat? Heb je iemand eruit zien komen?’
Hij tuurde om zich heen. Het was te donker.
‘Ik zie niemand op de kant.’

Hij draaide zich om naar de vrouw. Ze was weg. Alleen de mensen aan de overkant van het water stonden er nog. Vertwijfeld keek hij nog een keer om zich heen. Ze was echt weg. Wat een rare, dacht hij. Hij besloot naar de overkant van het water te gaan. Misschien kon hij daar meer te weten komen.

Achter hem weerkaatsten natte voetstappen het licht van de aanrijdende hulpdiensten.